Terminologie

Wat meer uitleg betreffende een aantal begrippen op deze site.

28 januari 10u32
°C
°C
°C

Hellmann Koudegetallen

Het koudegetal, ook wel aangeduid als het Hellmanngetal (H) naar de Duitse meteoroloog Gustav Hellmann, is een maat voor de koude in het tijdvak van 1 november van het voorafgaande jaar tot en met 31 maart van het genoemde jaar.

Voorbeeld: 1963 heeft betrekking op de periode 1 november 1962 tot en met 31 maart 1963. Het wordt verkregen door over dit tijdvak alle etmaalgemiddelde temperaturen beneden het vriespunt te sommeren met weglating van het minteken.

Koudegetal Hellmann (H) Classificatie
H > 300 Streng
H > 160 Zeer koud
H > 100 Koud
H < 100 Normaal
H < 40 Zacht
H < 20 Zeer zacht
H < 10 Buitengewoon zacht

Warmtegetal

Het warmtegetal wordt berekend door van april tot en met oktober het aantal graden dat de gemiddelde etmaaltemperatuur van elke dag boven de 18,0 graden ligt, op te tellen. Een dag met gemiddeld over 24 uur een temperatuur van 20,2 graden draagt dus 2,2 bij aan het warmtegetal. Zo komen we dus uiteindelijk tot een totale som die het mogelijk maakt de warmte in het jaar te classificeren. Aan top staat de zomer van 1947 met een warmtegetal van 221,3, dieptepunt was de zomer van 1965 met een warmtegetal van slechts 3,9.

De temperatuursom

De temperatuursom, ook wel agrarische temperatuur of cumulatieve temperatuur, is de optelling vanaf 1 januari van alle daggemiddelde temperaturen boven nul. Het wordt in de agrarische wereld gebruikt om het begin van een nieuw groeiseizoen van het grasland aan te geven. Het is een indicator voor allerlei zaken, zoals het al dan niet beginnen met uitrijden van bemesting (en de planning daarvan).

Langjarig onderzoek in de zestiger en zeventiger jaren door het toenmalige Landbouwkundige Bureau van de Nederlandse Stikstofmaatschappijen (later het Nederlands Meststoffen Instituut, NMI) heeft aangetoond dat gras een eerste stikstofbemesting nodig heeft, indien de temperatuursom tussen de 150ºC en 200ºC bereikt is.

Het onderzoek heeft aangetoond dat een vroegere stikstofgift geen effect heeft op de grasgroei.Indien de bemesting later wordt uitgevoerd, leidt dat tot productieverlies in droge stof. Onderzoek door NMI in de jaren negentig heeft dit resultaat nogmaals bevestigd en gedifferentieerd naar grondsoort.

Ook in de fenologie wordt de temperatuursom gebruikt. Meer informatie kan je ook terugvinden op logboekweer.nl.

Luchtvochtigheid, dauwpunt en natteboltemperatuur

Relatieve luchtvochtigheid

Lucht kan een beperkte hoeveelheid vocht bevatten die afhangt van de temperatuur. De relatieve vochtigheid is de verhouding tussen de in de lucht aanwezige hoeveelheid waterdamp en de, bij de heersende temperatuur maximaal mogelijke hoeveelheid waterdamp. Een waarde van 100% wijst op een maximale hoeveelheid waterdamp: de lucht is dan verzadigd.

Dauwpunt

Het dauwpunt is de temperatuur waarbij waterdamp begint te condenseren door afkoeling van de lucht zonder dat vocht wordt toegevoerd of afgevoerd. Zodra de dauwpuntstemperatuur wordt bereikt is de lucht verzadigd met waterdamp en bedraagt de relatieve vochtigheid 100%.

Natteboltemperatuur

Hoe meten we de luchtvochtigheid? Daarvoor maken we gebruik van een speciaal natuurkundig fenomeen, dat we allemaal kennen. Als je op een warme zomerdag buiten een oppervlakte natspuit, dan wordt het daar tijdelijk heerlijk koel. Dat komt omdat het verdampende water warmte nodig heeft. Die warmte wordt onttrokken aan de lucht en dus wordt de lucht boven het natte oppervlak kouder. De laagste temperatuur die we bekomen tijdens de verdampingsfase noemen we de "natte-bol-temperatuur".

In elke weerhut bevindt zich een thermometer met rond het reservoir een gaasje of een kousje dat voortdurend in gedestilleerd water is gedrenkt. De kous is dus altijd nat. Bij een lage luchtvochtigheid is er bij de kous veel verdamping en zal de natte-bol-temperatuur dus erg laag zijn. Is de luchtvochtigheid daarentegen erg hoog, dan is er nauwelijks verschil tussen de gewone luchttemperatuur en de natte-bol-temperatuur.

Uit het verschil tussen de natte-bol-temperatuur en de luchttemperatuur kunnen we het dauwpunt berekenen, dat is de temperatuur van de lucht in het geval ze volledig zou verzadigd zijn met waterdamp.

Via het dauwpunt kan dan de relatieve vochtigheid worden afgeleid.

Windchill

Het verschijnsel windchill, of windkoude, is het verschijnsel waarbij het in de wind een stuk kouder aanvoelt dan uit de wind. Hoe kouder het is en hoe harder het waait, des te kouder voelt het aan. We kunnen dat warmteverlies uitdrukken in een soort gevoelswaarde van de temperatuur.

Bij een gevoelstemperatuur onder -10 graden kunnen na enkele uren verschijnselen van onderkoeling optreden. Bij gevoelstemperaturen onder -15 graden kan al na een uur koudeletsel optreden, onder de -20 graden is na een half uur ook bij goed afdichtende winterkleding al een kleine kans op bevriezingsverschijnselen.

Gevoelstemperatuur

De gevoelstemperatuur op deze site wordt op dezelfde manier berekend als de windchill, alleen worden er meer factoren in rekening genomen dan enkel de windsnelheid. Ook de hoeveelheid zonnestraling en vochtigheid spelen een rol.

De luchtdruk

Heel veel mensen hebben thuis een barometer: een toestel dat de luchtdruk meet. Op de wijzerplaat staat bij hoge luchtdruk “mooi en droog”. Een lage luchtdruk staat op veel barometers gelijk met “regen of storm”. Maar dat blijkt toch niet altijd te kloppen. Hoe dat komt lees je op de website van Frank Deboosere

De waarde van luchtdruk wordt uitgedrukt in hectoPascal. Gemiddeld is de luchtdruk ongeveer 1013 hPa, maar ze kan dus ook hoger of lager liggen. Op dit ogenblik meet ze .

990 hPa is een lage luchtdruk en 1030 hPa een hoge. (1048 hPa is de hoogste en 956,8 hPa de laagste luchtdruk gemeten in Ukkel)

Aantal (dagen met)...

Tropische dagen

Een dag waarop de maximumtemperatuur 30,0 graden of hoger is wordt in de meteorologie een tropische dag genoemd. Het grootste deel van ons land telt tegewoordig (gemiddeld over 1981-2010) gewoonlijk twee tot vijf tropische dagen per jaar.

Zomerse dagen

Een dag met een maximumtemperatuur van 25,0 graden of hoger wordt een zomerse dag genoemd. Mei telt normaal (gemiddeld over 1981-2010) drie zomerse dagen, juni vijf, juli negen, augustus zeven en september twee. Zomerse temperaturen van 25 graden of hoger komen in het binnenland op gemiddeld 28 dagen per jaar voor, de meeste in het zuidoosten.

Warme dagen

Een dag met een maximumtemperatuur van 20,0 graden of hoger noemen de klimatologen een warme dag. De eerste warme dag van het jaar valt meestal in april, maar in 1961 en 1990 was dat in De Bilt al op 17 maart het geval, terwijl we in 1983 tot 31 mei moesten wachten vóór de grens van 20 graden werd bereikt. In een gemiddeld jaar zijn er in Ukkel 87 warme dagen (gemiddelde over de periode 1981-2010).

Zachte dagen

Op een zachte dag ligt de maximumtemperatuur op 15,0 graden of hoger.

Ijsdagen

Een ijsdag is een dag waarop het de hele dag blijft vriezen. Ook de hoogste temperatuur van het hele etmaal ligt op een ijsdag dus onder nul. Vrijwel elke winter telt er een aantal. In een gemiddelde winter zijn er in Ukkel 7 ijsdagen (gemiddelde over de periode 1981-2010).

Lichte vorst

Vorst betekent in de meteorologie dat de temperatuur op waanemingshoogte van anderhalve meter boven de grond onder het vriespunt komt. Wanneer de temperatuur lager is dan 0,0 graden en ligt tussen -0,1 en -5,0 graden is dat lichte vorst.

Matige vorst

Vorst betekent in de meteorologie dat de temperatuur op waanemingshoogte van anderhalve meter boven de grond onder het vriespunt komt. Wanneer de temperatuur lager is dan -5,0 graden en ligt tussen -5,1 en -10,0 graden is dat matige vorst.

Strenge vorst

Vorst betekent in de meteorologie dat de temperatuur op waanemingshoogte van anderhalve meter boven de grond onder het vriespunt komt. Wanneer de temperatuur lager is dan -10,0 graden ligt tussen -10,1 en -15,0 graden is dat strenge vorst.

Zeer strenge vorst

Vorst betekent in de meteorologie dat de temperatuur op waanemingshoogte van anderhalve meter boven de grond onder het vriespunt komt. Wanneer de temperatuur lager is dan -15,0 graden is dat zeer strenge vorst.

Waarom meten we de temperatuur ook vlak boven de grond?

De temperatuur wordt op weerstations gewoonlijk op 1,5 meter boven een grasvlakte gemeten. Vlak boven de grond kan het temperatuurverloop echter anders zijn. Tijdens een windstille en heldere nacht koelt het daar sterker af.

Voorwerpen op het aardoppervlak en ook bomen, struiken, bladeren en grassprietjes zenden voortdurend straling uit en verliezen onder die omstandigheden snel warmte. Wanneer de temperatuur op 10 cm hoogte boven gras tot onder het vriespunt daalt, wordt dat aangekondigd als vorst aan de grond. Dit staat ook wel bekend als nachtvorst, zoals dat vroeger werd genoemd.

Metingen van zonneschijn in de maanden december en januari

In de maanden december en januari ligt het weerstation tijdens de middaguren in de schaduw van de zon. Hierdoor detecteerd de sensor die de stralingsenergie meet geen zonlicht, ook al schijnt op dat moment de zon. Dit heeft als gevolg dat het getoonde icoon van de website dan ook geen zonneschijn aangeeft. Ook worden de uren zonneschijn voor die dag niet correct gemeten.

Wat is het verschil tussen meteorologische en astronomische seizoenen?

De meteorologische seizoenen zijn vastgelegd op basis van een internationale overeenkomst. Deze seizoenen beginnen op volgende vaste data:

  • 1 maart – lente
  • 1 juni – zomer
  • 1 september – herfst
  • 1 december – winter

Steeds worden drie opeenvolgende kalendermaanden als één seizoen beschouwd. Ze beginnen steeds op de eerste dag van de eerste maand en eindigen op de laatste dag van de derde maand.

De astronomische seizoenen hebben daarentegen geen vaste data omdat ze afhankelijk zijn van de stand van de zon. Deze seizoensindeling is gebaseerd op de positie van de aarde ten opzichte van de zon. De seizoensverschillen ontstaan door de schuine stand van de as waar de aarde om draait.

Uv-index en zonkracht

De zonkracht is een maat voor de hoeveelheid ultraviolette straling (UV) in het zonlicht die de aarde bereikt. Het UV-zonlicht neemt toe naarmate de zon hoger staat en varieert met de seizoenen en het moment van de dag. Warmte heeft geen invloed: op een koele zonnige dag kan de zonkracht even sterk of sterker zijn dan op een warme dag.

Bij een lage zonkracht (0-4) verbrandt de huid minder snel dan bij een hoge zonkracht (7 en hoger). De zonkracht hangt ook af van de hoeveelheid bewolking: op een zonnige dag is er meer UV-zonlicht dan wanneer het volledig bewolkt is.

In de tabel van de zonkracht is globaal aangegeven hoe lang de huid van een gemiddelde Nederlander midden op de dag zon kan verdragen. Voor wie snel verbrandt is de tijd korter, voor wie van nature een getinte huid heeft langer.

De vermelde tijd geeft aan na hoeveel minuten volgens KWF Kankerbestrijding een onbeschermde huid zoveel UV heeft gekregen dat deze na 8 tot 24 uur rood kleurt. Dat is het maximum voor wie verstandig wil zonnen.

Zonkracht Omschrijving in het weerbericht Roodkleuring onbeschermde huid na x minuten Huid verbrandt
1 - 2 vrijwel geen 100 - 50 -
3 - 4 zwak 35 - 25 -
5 - 6 matig 25 - 15 gemakkelijk
7 - 8 sterk 15 - 10 snel
9 - 10+ zeer sterk minder dan 10 zeer snel